De diagnose van de ziekte van Parkinson is een klinische diagnose. Dat wil zeggen dat de neuroloog door te vragen naar de klachten van iemand en door iemand lichamelijk te onderzoeken de diagnose ziekte van parkinson vermoedt. Hierbij is het van belang dat er 2 van de 4 kernsymptomen (tremor, bradykinesie, rigiditeit en houdingsinstabiliteit) aanwezig zijn, waarvan tenminste bradykinesie of tremor. Ondersteunende kenmerken
Er zijn een aantal ondersteunende kenmerken die de diagnose meer waarschijnlijk maken:
er is een asymmetrisch beeld, dus de klachten zijn maar aan 1 kant aanwezig (bijvoorbeeld links) of aan 1 kant erger dan aan de andere kant. patiënten moeten een duidelijke verbetering van hun klachten ervaren op levodopa medicijnen. patiënten moeten geen symptomen hebben die passen bij een parkinsonisme, zoals multiple systeem atrofie (MSA) of progressieve supranucleaire palsy (PSP).
Ander onderzoek (aanvullend onderzoek)
Met behulp van aanvullend onderzoek zoals een Magnetic Resonance Imaging (MRI)-scan kunnen andere aandoeningen worden uitgesloten. Verder zijn er een aantal nucleaire scans (bijvoorbeeld IBZM-SPECT en DAT-SPECT) die afwijkend kunnen zijn bij de ziekte van Parkinson of parkinsonisme. Hierbij wordt er na het inspuiten van een radio-actief stofje een scan gemaakt van bepaalde hersengebieden.
Zekerheid omtrent de diagnose
Zekerheid over de diagnose kan pas na de dood worden gegeven, wanneer de hersenen onder de microscoop worden bekeken bij obductie. Bij obductie blijkt dat er bij 10-25% van de patiënten geen sprake was van de ziekte van Parkinson maar een andere vorm van parkinsonisme.
|
|